Hoe Feyenoord het Manchester United van Nederland wilde worden (en dat mislukte)

Het lijkt Feyenoord dit seizoen over rozen te gaan. Een zegereeks in de Eredivisie, gewonnen van Manchester United. Euforie alom. Maar structureel heeft de club al decennia moeite aan de nationale voetbaltop te komen – en er te blijven. Er zijn korte oplevingen, maar vaker dan Ajax en PSV hing Feyenoord boven de rand van de afgrond. Hoe is het mogelijk dat Feyenoord haar grootste succes, de Europa Cup 1 in 1970, zo slecht heeft uitgebuit en in de afgelopen veertig jaar maar drie landstitels pakte? Dit is een verhaal over grootheidswaanzin, overmoed en financieel falen van slapende reus Feyenoord.

Graziano Pellè, door Daria Isaeva

Graziano Pellè, door Daria Isaeva

[blendlebutton]

De dingen die voorbij gaan

Wie Feyenoord het afgelopen decennium heeft zien voetballen, zou haast vergeten dat de club ooit tot de beste van de wereld behoorde. De rijke geschiedenis van de club is echter ook een geschiedenis van verval, financiële ellende en jaren zonder prijzen. Toen de Coolsingel in 1970 nog volstroomde met honderdduizenden mensen die Coen Moulijn, Ernst Happel en Ove Kindvall met de cup met de grote oren wilden zien, was Feyenoord de beste én rijkste voetbalclub van de wereld. Het zijn de jaren dat de club landstitels (1969, 1971), de Europa Cup 1 en Wereldbeker (1970) en de UEFA Cup (1974) wint. En toch begint hier al langzaam het verval in te treden.

Terwijl Feyenoord tussen 1970 en 1974 volop prijzen pakt, wordt de basis gelegd voor een groeiende achterstand op de concurrenten, zowel sportief als financieel, die zich pas later openbaart. De sportieve prestaties verhullen dit aanvankelijk – Feyenoord speelt fantastisch totaalvoetbal in Europese wedstrijden en dringt in 1972 nog door tot de kwartfinale van de Europa Cup. Maar achter de schermen rommelt het. De club wordt geleid door trouwe verenigingsleden die al decennia actief zijn binnen de club. Ondanks dat ze vaak met elkaar overhoop liggen, nemen ze met de beste bedoelingen de verkeerde beslissingen. Het zijn goedbedoelde, loyale amateurs die Feyenoord leiden in een tijd waarin het voetbal in rap tempo professionaliseert. Een situatie, gek genoeg, vergelijkbaar met die bij Ajax nu.

De problemen uiten zich vooral op twee vlakken. Allereerst slaagt de club er niet in een consistent transferbeleid te voeren. Illustratief is de zoektocht naar een vervanger van topschutter Ove Kindvall, die in 1971 terugkeert naar Zweden. Door heel Europa onderhandelt Feyenoord met topspitsen, maar ze zijn te duur (Gerd Müller), te Duits en daarom voor veel selectiespelers ongewenst (Jurgen Grabowski), misbruiken Feyenoord’s interesse om een beter contract bij Ajax te tekenen (Johan Cruijff) of krijgen geen toestemming van het regime naar Nederland te verkassen (Wlodimierz Lubanski). De club komt uit bij Lex Schoenmaker, die regelmatig scoort, maar niet zo vaak als Kindvall. Pas in 1997 haalt Feyenoord met Julio Ricardo Cruz weer een spits die écht slaagt. In de tussentijd had de club geen opvolgers voor de legendes van 1970 gehaald, maar wel miljoenen verbrast aan de verkeerde spelers voor de verkeerde bedragen.

Een tweede belangrijk moment voor de toekomst van de club is de vroege uitschakeling in het UEFA Cup-toernooi in het seizoen 1975/1976. Het markeert in zekere zin het einde van glorieuze jaren waarin Feyenoord zich gestaag opwerkte naar de Europese voetbaltop, waar ze tot aan 1974 resideert. Het Engelse Ipswich Town wipt de club al in de eerste ronde uit het toernooi, waardoor Feyenoord veel verwachte en reeds begrote inkomsten misloopt en het seizoen eindigt met een tekort van bijna een miljoen gulden, zo’n vier ton meer dan een jaar eerder. De club heeft bovendien, zoals de gehele Eredivisie, te maken met een tanende publieke belangstelling, waardoor ook de inkomsten uit het stadion teruglopen. Het hooliganisme rukt op, het voetbal zakt weg, de stadions lopen leeg.

De club raakt in een vicieuze cirkel: omdat Feyenoord slechtere spelers heeft vallen de prestaties tegen, waardoor er minder publiek naar De Kuip trekt, waardoor er minder geld binnenkomt en er mindere spelers gekocht wordt, waardoor de prestaties verder verslechteren, enzovoorts. Het doet denken aan de jaren na de UEFA Cup-winst in 2002. Feyenoord haalt geen waardige opvolgers, verliest de aansluiting met de Europese (sub-)top en drijft steeds verder weg in het moeras van de onvolmaaktheid en financiële ellende. Maar daarover later meer.

Na saneringen in 1976 verliest Feyenoord de aansluiting met de top, met onder meer een vierde en tiende plek en het mislopen van Europees voetbal. Een nieuwe term doet zijn intrede. Feyenoord zit, zeggen bestuurders, in “een nieuwe fase van opbouw” – een voorloper van de onvolprezen “tussenjaren” dan wel “overbruggingsseizoenen” die het later gaat spelen.

Maar “opbouw”? Het lijkt er niet eens op. Feyenoord komt het structurele sportieve en financiële verval dat vanaf halverwege de jaren zeventig wordt ingezet nooit meer te boven. Natuurlijk zijn er de uitschieters, de jaren dat het voor de wind gaat. Zoals in 1984, als de club mede dankzij Johan Cruijff de dubbel wint. De enige echte, langdurige opleving is in de jaren negentig. Nadat een faillissement is ontweken richt de club zich onder leiding van de charismatische Sliedrechtse dakdekker Jorien van den Herik op. Tussen 1990 en 1996 vervierdubbelt de begroting, van zo’n elf miljoen naar bijna veertig miljoen gulden. Na de bekerwinst in 1991, de eerste prijs sinds 1984, haalt Feyenoord de halve finale van de Europa Cup 2 en dat decennium wordt nog drie keer de beker gewonnen en is de club twee keer kampioen. In 2002 volgt het voorlopige hoogte punt, als de club de UEFA Cup wint.

En toch. En toch lukt het Feyenoord weer niet om elk jaar om de landstitel te voetballen, om elk seizoen Europees te overwinteren, oftewel, om weer écht top te worden – en dat te blijven. Sterker: na de winst van de UEFA Cup in 2002 drijft Feyenoord juist weer weg van de top. Hoe kan dat?

Het simpele antwoord is: financiële overmoed gecombineerd met opportunistisch en kortzichtig beleid. De club waant zich in de top van het Europese voetbal en hoewel de UEFA Cup-winst die gedachte wellicht legitimeert, is Feyenoord financieel mijlenver verwijderd van de echte Europese grootmachten.

Het imperium van Van den Herik

Lang lijkt alles goed te gaan met Feyenoord. De club bouwt vanaf eind jaren negentig onder leiding van voorzitter Jorien van den Herik en technisch directeur Rob Baan aan een imperium. Ga maar na: er is een voetbalschool in Ghana, van Zweden tot Zuid-Afrika zijn er samenwerkingsverbanden met clubs, er is een eigen wekelijkse krant en zelfs een tv-programma, en de begroting is vergelijkbaar met die van Ajax en PSV. De club heeft, gelijk Europese topploegen, tientallen contractspelers die in heel Europa uitgeleend, gestald en ontwikkeld worden. Er zijn lucratieve commerciële deals in Japan en Zuid-Korea, waarmee Feyenoord de transfers van Shinji Ono (2001) en Chung Gog-Song (2002) snel terug verdient.

Jarenlang houdt voorzitter Van den Herik vol dat Feyenoord een “zuinig beleid” voert en daardoor niet hoeft te vrezen voor financiële problemen. De voorzitter plaatst zichzelf graag in de traditie van zijn illustere voorgangers Leen van Zandvliet en Cor Kieboom, twee pragmatische visionairs die de club in de jaren dertig en zestig naar de (inter)nationale top brachten. Tijdens persconferenties en interviews haalt hij ze graag aan, zo van kijk mij eens, ík ben hun opvolger. Maar Van den Herik is geen Van Zandvliet, geen Kieboom. Het is overmoed en ongelegitimeerde grootsheid, want waar zij de club in betere staat achterlieten dan toen ze aantraden, is Feyenoord bij Van den Herik’s gedwongen vertrek nagenoeg failliet.

Van den Herik leidt de club op autoritaire wijze. Voetbalblad Johan noemt hem in 2000 in een coverstory de ‘Stalin aan de Maas’. De anders zo bescheiden en ingetogen Coen Moulijn vergelijkt hem met Silvio Berlusconi, de eveneens opmerkelijke, megalomane en autoritaire voorzitter van AC Milan. In het Maasgebouw is het een komen en gaan van bestuursleden: wie kritiek heeft op Van den Herik’s dadendrang wordt eruit gewerkt, sommigen houden het amper een paar maanden vol. Financiële cijfers publiceert de club niet, maar tijdens energieke persconferenties belooft de Grote Kale Leider dat alles in orde is.

De realiteit is anders. Bij het ontbreken van jaarverslagen is niet met zekerheid te zeggen om hoeveel geld het precies gaat, maar uit uitspraken van Feyenoord-bestuurders en artikelen in kranten kan worden afgeleid dat de club tussen 1999 en 2004 zo’n twintig miljoen euro stak in internationale projecten die zowel sportief als financieel vrijwel niets opleverden. Dit is waar het fout ging voor de club.

Een revolutionaire weg

Technisch directeur Rob Baan noemt het een “revolutionaire weg”, journalist Marcel van der Kraan schrijft over “de grootste operatie in de clubgeschiedenis”. Op de drempel van de 21e eeuw, daags na de kerst van 1999, kondigt Feyenoord aan als eerste voetbalclub een échte wereldclub te worden. Het is het soort overmoed die in zekere zin de jaren negentig karakteriseert. Voetbalvoorzitters wanen zich koningen in hun eigen rijkjes, een soort ontastbare halfgoden die het Nederlandse voetbal uit het slop trekken. Michael van Praag bij Ajax, Harry van Raaij bij PSV en Jorien van den Herik zijn zelfbenoemde visionairs die groots willen denken en doen. Daarom bouwt Ajax eerst een reusachtig stadion, koopt het daarna de Zuid-Afrikaanse clubs Seven Stars en Cape Town Spurs en fuseert ze tot Ajax Cape Town, en verwerft het ook eigendom over het Ghanese Goldfield.

Maar Feyenoord wil nóg groter. In Afrika, Azië en Zuid-Amerika gaat de club samenwerkingsverbanden aan en investeert het miljoenen guldens in clubs en opleidingen. In Brazilië wordt geld gepompt in America Belo Horizonte en de Jota Jota voetbalacademie, waar het in 1995 Leonardo wegplukte. In Japan verbindt Feyenoord zich aan Nagoya Grampus Eight. In Ghana wordt het eigenaar van Salgado Stars en zet het een eigen academie op, de Feyenoord Fetteh Football Academy. En in Europa worden samenwerkingsverbanden gesloten met B93 (Denemarken) en RWDM (België). In de jaren die volgen voegen onder meer Eendracht Aalst, KV Mechelen, Westerlo, Omiya Ardija (Japan), LSK Lodz (Polen) en Supersport United (Zuid-Afrika) zich bij het netwerk.

“Feyenoord moet het Manchester United van Nederland worden”, verklaart technische baas Rob Baan de investeringen. In interviews haalt hij Fernando Ricksen aan: de rechtsback van AZ moet vijftien miljoen gulden kosten, veel te veel voor Feyenoord. Dus wil de club talenten ontdekken en opleiden vóór ze doorbreken. In het nieuwe millennium zullen talentvolle voetballers van over de hele wereld zich aandienen in De Kuip, is het idee.

Vooral van de voetbalschool in Ghana zijn de verwachtingen hoog. Directeur Karel Brokken zegt in 2001 dat hij verwacht dat van de dertig jongens die er dan voetballen “uiteindelijk zes echte topvoetballers voortkomen (…) jongens die je niet kunt kopen bij andere clubs in Nederland. Ze zullen iets toevoegen aan de Nederlandse competitie”. Uit humanitair oogpunt is het bovendien een lovenswaardig project, want naast een voetbalopleiding gaan tientallen jonge voetballertjes ook naar een goede school op het complex van de academie. Van de Braziliaanse club America verwerft Feyenoord delen van de transferrechten van spelers, onder meer van de latere international Fred.

Excelsior

Niet alleen in verre oorden, maar ook letterlijk om de hoek sluit Feyenoord een verregaande samenwerkingsovereenkomst. Het Kralingse Excelsior, zwalkend in de Eerste Divisie, komt vanaf 1998 grotendeels onder controle van Feyenoord te staan. Zij bepalen wie er gekocht en verkocht worden, wie de trainer is en welke voetballers spelen. Rob Baan is er eerlijk over: “Feyenoord beslist wie er bij Excelsior spelen en ook op welke plaats zo’n voetballer moet staan”. Behalve technisch invloedrijk, wordt Feyenoord ook grootinvesteerder in de kleine Kralingse club. Ongeveer de helft van de begroting wordt door de club van Zuid gefinancierd; ongeveer tweeënhalf miljoen gulden per seizoen, op het hoogtepunt van de samenwerking naar schatting zelfs zo’n vier miljoen gulden per jaar, ongeveer 1,8 miljoen euro.

Rond 2002 scherpt de KNVB de regels aan: voortaan mag een moederclub nog maar maximaal vijf spelers uitlenen aan een satellietclub en mag de financiële bijdrage niet hoger zijn dan tien procent van de begroting.

Feyenoord heeft lak aan die regels en verzint allerlei constructies om de macht over Excelsior te behouden en te vergroten. Shirtsponsor Stad Rotterdam Verzekeringen verschijnt ineens ook op het shirt Excelsior, net als kledingsponsor Kappa. En op dubieuze en weinige transparante manieren worden buitenlandse talenten als Jan Frederiksen (3 wedstrijden) en Michel Bastos (28 wedstrijden) in de boeken van Excelsior bijgeschreven, terwijl Feyenoord zeggenschap en eigenaarschap over ze behoudt. Zo kan het gebeuren dat, ondanks de KNVB-regels, liefst dertien van de tweeëntwintig selectiespelers waarmee Excelsior het seizoen 2003/2004 ingaat een (in)directe band met Feyenoord hebben, terwijl ook trainer Henk van Stee, voormalig hoofd van Varkenoord, van Feyenoord komt. Feyenoord 2, wordt Excelsior in die jaren wel genoemd.

Teveel en te dure spelers

Het “revolutionaire project” is een bodemloze put. Ajax stoot haar dure buitenlandse filialen al na een paar jaar af, maar Feyenoord blijft investeren. Vanaf 2002 komen er busladingen buitenlandse talenten naar De Kuip voor proeftrainingen, van wie uiteindelijk rond de twintig spelers een profcontract krijgen. Zelden zien ze De Kuip van binnen, laat staan dat ze er een wedstrijd in het rood en wit spelen. Niemand die spelers als de Swazilander Dennis Masina, de Australischer Alex Brosque, de Ghanees Abdul-Yakuni Iddi en de Braziliaan Jackson Coelho na de ondertekening van hun contract nog terugziet. Ze worden direct verhuurd.

Het onderhouden van het “revolutionaire project” kost Feyenoord miljoenen euro’s per jaar. Want naast de clubs en opleidingen waarmee wordt samengewerkt zijn ook de kosten van de tientallen contractspelers die Feyenoord heeft enorm. Netto levert het de club vrijwel niets op. De voetbalschool in Ghana levert prima voetballers af, waarvan Christian Atsu de bekendste is, alleen niet aan Feyenoord.

Slechts middenvelder Mohammed Abubakari haalt daadwerkelijk de eerste selectie, maar verder dan wat oefenwedstrijden komt hij niet. De via America Belo Horizonte gecontracteerde Braziliaan Sammuel Almeida de Cardoso blinkt uit in de A1 en zit een paar keer op de bank bij het eerste. De Deen Patrick Mtiliga wordt al in 1999 van B93 gehaald, vierenhalf jaar verhuurd aan Excelsior en speelt uiteindelijk tweeëntwintig wedstrijden in Feyenoord 1. Vanuit de in 2007 beëindigde samenwerking met het Zuid-Afrikaanse Supersport United komen Kermit Erasmus (2008, 4 wedstrijden), Philani Khwela (2009, 0 wedstrijden) en Kamohelo Mokotjo (2009, 250.000 euro, 35 wedstrijden).

Het is een zeer matige oogst voor de miljoenen die Feyenoord jarenlang over de hele wereld investeert. Bij het ontbreken van jaarverslagen is onduidelijk om hoeveel geld het precies gaat, maar op basis van uitspraken van bestuurders en artikelen in media is een schatting van twintig á vijfentwintig miljoen aan samenwerkingsverbanden en spelerscontracten te rechtvaardigen over een periode van zeven jaar (1999-2006). Dat zijn de vergeefse kosten van de ambitie om het “Nederlandse Manchester United” te worden.

Feyenoord heeft teveel spelers en Feyenoord heeft te dure spelers. Jarenlang gaat elk seizoen rond de negentig procent (!) van de begroting op aan spelerskosten, tientallen procenten meer dan concurrenten Ajax en PSV. Dat hoeft niet erg te zijn als het geld besteed wordt aan aantoonbare kwaliteitsimpulsen in de selectie. Maar daar schuurt het: de meeste aankopen zijn dat niet en verdwijnen al snel. Ze komen nu enkel nog voor op de schier oneindige lijstjes met miskopen. Het is bovendien allemaal geld dat Feyenoord beter kan steken in haar eigen jeugdopleiding, waar tussen 2002 en 2006 juist op bezuinigd wordt. In die jaren maken alleen Tim Vincken, Gianni Zuiverloon en Jonathan de Guzman de stap van Varkenoord naar De Kuip.

Niettemin houdt Van den Herik jarenlang vol dat het allemaal wel meevalt. Het project in Zuid-Afrika? Slechts 0,7 procent (zo’n 370.000 euro) van de begroting, pareert de voorzitter de langzaam aanzwellende kritiek op het onrendabele project tijdens de nieuwjaarsreceptie van 2005. Excelsior levert netto winst op en de investeringen in Ghana en Polen gaan buiten de club om, zegt de voorzitter.

Dat laatste klopt deels, maar is juist ook onderdeel van het probleem. De Feyenoord Fetteh voetbalschool in Ghana wordt bijvoorbeeld in het seizoen 2004/2005 grotendeels gefinancierd door Van den Herik zelf, maar wel in de vorm van een lening van zo’n drie miljoen euro waar Feyenoord maandelijks (!) één procent rente over moet betalen.

Feyenoord blaast een enorme luchtbel op. De club investeert jarenlang teveel geld in teveel projecten en spelers die te weinig opleveren. Ook spelers die wél als directe versterking voor het eerste elftal worden gehaald blijken niet in staat te zijn voort te bouwen op het Europese succes van 2002. Het vertrek van de UEFA Cup-winnaars Bonaventura Kalou, Paul Bosvelt, Tomasz Rsaza, Pierre van Hooijdonk en Brett Emerton in de zomer van 2003 wordt opgevangen met overwegend middelmatige, onrendabele spelers.

De jonge Servische spits Danko Lazovic, met zeven miljoen euro anno 2016 nog steeds de recordaankoop van de club, scoort zelden. Hossam Ghaly is een nuttige, doch dure middenvelder. Alleen Dirk Kuyt voldoet, tegen de verwachting in, echt aan het niveau dat je van een Feyenoord-aankoop mag verwachten. Maar spelers als Gerard de Nooijer, Alfred Schreuder en Peter van den Berg zijn niet alleen te oud en vertegenwoordigen daardoor weinig restwaarde, ze zijn ook simpelweg niet goed genoeg. Feyenoord eindigt het seizoen 2003/2004 als derde en loopt kwalificatie voor de Champions League mis. Een sportieve én financiële sof.

Er is een sterke parallel te trekken met de jaren zeventig. Ook toen lukte het Feyenoord niet om goede vervangers te halen voor de vertrokken cuphelden. En ook toen brachten onrendabele transfers de club niet alleen in sportief, maar ook financieel zwaar weer.

Lang blijft de financiële wanorde onder het oppervlak, want de club maakt onder Van den Herik’s bewind de jaarverslagen niet openbaar, waardoor het voor supporters en media onduidelijk is hoe Feyenoord er werkelijk financieel voorstaat. De buitenwacht wordt vermaakt met energieke persconferenties van de president-commissaris, waarin hij jaarlijks, zonder spiekbriefje, lang oreert over de gouden toekomst die de club volgens hem heeft. In 2008, als de club honderd jaar bestaat, zal hij aftreden en Feyenoord in goede staat achterlaten. Sterker: in 2016 zal er een nieuw stadion staan dat de begroting zal doen stijgen tot liefst honderd miljoen euro. Alles gaat goed, er zijn geen redenen tot zorg, is telkens de boodschap.

Failliet

Was het maar zo. Aan het einde van het seizoen 2004/2005, waarin Feyenoord op 25 punten achter kampioen PSV eindigt, is Feyenoord praktisch failliet. In een jaar tijd hebben de nieuwe technisch directeur Mark Wotte en trainer Ruud Gullit een legertje aan buitenlandse b-artiesten aangetrokken, weer een lichting spelers die veel geld kosten en amper iets toevoegen aan Feyenoord. Geld voor échte topspelers heeft Feyenoord niet, maar in plaats van werk te maken van een solide en stabiel transferbeleid wordt de ene na de andere elders geflopte exoot gekocht, zoals de dure Portugese linksback Bruno Basto van Bordeaux.

De club heeft een negatief werkkapitaal en een negatief eigen vermogen, en minder dan een miljoen euro direct besteedbare euro’s. Dun & Bradstreet, autoriteit op het gebied van bedrijfsanalyses, geeft Feyenoord een 4 over het seizoen 2004/2005, wat betekent dat er een zeer grote kans op faillissement bestaat. Het plaatst de lening die Van den Herik aan zijn eigen club verstrekt in een ander licht. Eerst heeft hij een enorme zeepbel opgeblazen met torenhoge investeringen in onrendabele projecten en als de club vervolgens op de rand van de afgrond danst leent de voorzitter uit valse vrijgevigheid miljoenen euro’s aan de club in een constructie waar uiteindelijk alleen hij beter van kan worden.

De club zet daarom tijdens het seizoen 2005/2006 een enorme saneringsoperatie op en neemt tussen de zomers van 2005 en 2007 afscheid van tientallen contractspelers. Onder hen spelers die met grote winst worden doorverkocht, zoals Dirk Kuyt, Royston Drenthe en Salomon Kalou, bankzitters als John Owoeri en Edwin de Graaf, maar ook spelers die nooit een wedstrijd in De Kuip hebben gespeeld, zoals Santi Kolk (verhuurd aan Excelsior), Dennis Masina (verhuurd aan KV Mechelen) en de Braziliaan Adalberto (verhuurd aan Westerlo). Bovendien worden de buitenlandse projecten afgebouwd en verandert de invulling van de samenwerking met Excelsior, dat iets meer autonomie krijgt.

Van den Herik zelf is grotendeels afwezig tijdens de operatie: hij heeft de dagelijkse leiding uit handen gegeven en zit grote delen van het jaar in Amerika en Cyprus, waar zijn holding gevestigd is en hij een huis heeft. Onno Jacobs wordt in de zomer van 2005 aangesteld om puin te ruimen – zonder dat de buitenwacht overigens doorheeft hoe penibel de situatie is.

Dat wordt namelijk pas duidelijk in de laatste dagen van augustus 2006, als RTV Rijnmond na analyse van de jaarrekeningen publiceert over de benauwde financiële situatie van de club. Met Dirk Kuyt en Salomon Kalou heeft Feyenoord in één zomer haar twee beste spelers verkocht. Dat levert meer dan twintig miljoen euro op en aanvankelijk begrijpt niemand dat de club geen kwalitatief gelijkwaardige vervangers koopt, maar middelmaat als Stein Huysegems, Jonas Kolkka en, vlak voor het sluiten van de transfermarkt, de bij Ajax geflopte Griekse spits Angelos Charisteas.

In de weken daarna wordt steeds duidelijker dat Van den Herik en co de financiële toestand van de club niet alleen jarenlang te rooskleurig hebben geschetst, maar Feyenoord zelfs aan de rand van de afgrond hebben gebracht met onverantwoord en overmoedig financieel en technisch beleid. De Kuip vult zich met spandoeken gericht tegen de Grote Kale Leugenaar, die voor het eerst erkent dat Feyenoord over het seizoen 2003/2004 (slechts twee jaar na de UEFA Cup-winst) afsloot met een verlies van 10,6 miljoen euro, waardoor de vermogenspositie van de club zwaar werd aangetast.

Op 8 december 2006, laat op de avond, mailt Jorien van den Herik zijn mede-bestuurders: hij vertrekt, na meer dan twintig jaar betrokkenheid en zestien jaar voorzitterschap, bij Feyenoord. Enkele dagen eerder heeft een commissie onder leiding van voormalig aanvoerder en voorzitter Gerard Kerkum geconcludeerd dat een vertrek van de GKL het beste is. Kerkum zelf wordt op interim-basis de nieuwe president van nieuwe Raad van Commissarissen, die met het oog op een nieuw te bouwen stadion vooral bestaat uit bankiers en gevestigde vastgoedmannen. Eind 2007 wordt ambtenaar Eric Gudde aangesteld als algemeen directeur.

Weinig geleerd: weer gegokt, weer verloren

Toch blijft Feyenoord ook onder de nieuwe clubleiding sukkelen. Wat heet: er lijkt zelfs vrij weinig geleerd te zijn van het onverstandige en overmoedige financiële beleid van hun voorgangers. Als de ene saneringsoperatie nog niet eens ten einde is worden de volgende megalomane investeringen al gedaan.

Technisch directeur Peter Bosz, in de zomer van 2006 aangesteld, is razend ambitieus. Op een flip-over tekent hij in het voorjaar van 2007 tijdens overleggen met de scouting en technische staf het nieuwe Feyenoord. In de spits: Roy Makaay, topschutter bij Bayern München. Op het middenveld: Kenneth Perez van AZ en Giovanni van Bronckhorst van FC Barcelona. In de verdediging staan Kevin Hofland van VFL Wolfsburg en Tim de Cler, ook van AZ, ingetekend.

Trainer Erwin Koeman zucht. Van welk geld moeten die prima voetballers maar, inderdaad, vrij dure spelers aangekocht worden?

Bosz is eerlijk: eigenlijk is het geld er niet, maar met deze investeringen is Feyenoord titelkandidaat nummer 1 en in de groepsfase van de Champions League is het geld zo terugverdiend. Toch? Op Kenneth Perez na worden de vier Nederlandse topspelers aangekocht en als de club in de winterstop inderdaad (gedeeld) bovenaan staat wordt ook nog Denny Landzaat van Wigan Athletic gecontracteerd. Ook duur, ook oud (31), maar wél een ervaren international.

Feyenoord gokt en verliest. De club wint in 2008 voor het eerst sinds 2002 een hoofdprijs, de KNVB Beker, maar eindigt als zesde in de Eredivisie. Maar in plaats van een stap terug te doen en met prudent en voorzichtig financieel beleid de club gezond te maken, pakt Feyenoord juist door.

Al tijdens het seizoen 2006/2007 is een Talentpool opgezet, waarin op dat moment redelijk talentvolle spelers als Diego Biseswar, Jonathan de Guzman, Tim Vincken en Georginio Wijnaldum zijn opgenomen. Voor 250.000 euro kunnen investeerders participeren, waarmee ze ruim achttien procent van de toekomstige transfersommen in handen krijgen. Het levert Feyenoord direct zo’n vijf miljoen euro op, waarmee de investeringen in de topspelers in 2007 worden bekostigd. Aan het begin van het seizoen 2007/2008 is ook een tweede talentpool opgezet, waarin onder andere Ron Vlaar, Serginho Greene, de Egyptische doelman Sherif Ekramy en de Canadees Jacob Lensky worden geplaatst. Allen zijn op dat moment geen basisspeler bij Feyenoord. In 2008 wordt tot slot het Feyenoord Investeringsfonds (FIF) opgezet, waarmee de club zo’n tien miljoen euro hoopt op te halen en spelers onder de 24 jaar met een nog minstens vier jaar lang doorlopend contract worden geplaatst.

Het idee achter alle investeringsfondsen is tamelijk simpel: met het kapitaal dat de club eruit verkrijgt kunnen spelers gekocht worden waarmee Champions League behaald kan worden, waarna alle investeringen zich zullen terugbetalen. Bovendien zal de transferwaarde van de jonge talenten stijgen.

Het probleem is: dat gebeurt allemaal niet. De sportieve prestaties vallen tegen, spelers renderen niet en het seizoen 2008/2009 wordt afgesloten met een recordverlies van 16,9 miljoen euro, terwijl de schuld stijgt naar 21 miljoen. In de zomer van 2008 is een groot risico genomen door Karim El Ahmadi voor 6,3 miljoen euro, via het FIF, te kopen. Ondanks dat hij niet voldoet worden een jaar later nog meer spelers via de schimmige constructie gecontracteerd: Sekou Cissé (3,7 miljoen euro), Dani Fernandez, Aleksander Ignjatovic en Kamohele Mokotjo (samen zo’n 2 miljoen euro). Bovendien wordt nóg een pool opgezet, de Beloftenpool, waarin vrijwel alle grote talenten in de jeugdopleiding voor zo’n 7,5 miljoen euro worden verpand. Feyenoord speelt ook onder de populaire trainer Mario Been geen rol in de titelstrijd, maar haalt in het voorjaar van 2010 wel de bekerfinale, die over twee duels kansloos wordt verloren van Ajax.

De situatie verslechtert in rap tempo. Spelers uit de Talentpools en het Investeringsfonds blijken niet de gewenste transfersommen op te gaan leveren. Sterker: ze lopen vrijwel allemaal gratis de deur uit of worden ver onder de verwachte verkoopwaarde verkocht. De club bouwt daardoor een enorme schuld op bij de investeerders in de pools en het fonds, grotendeels dezelfde mensen. Op 30 juni 2010 staat de club 43 miljoen euro in het rood.

Sportief en financieel failliet

Opnieuw zit Feyenoord in een vicieuze cirkel. Er is geen geld voor aankopen, waardoor jonge spelers voor de leeuwen worden gegooid en technische man Leo Beenhakker gedwongen wordt tot creativiteit; hij huurt de jonge Rus Fedor Smolov (11 wedstrijden, 0 goals) en Deense back Michael Lumb (2 wedstrijden). De club danst op de rand van de sportieve én financiële afgrond. Eind oktober is de club vrijwel failliet. De 10-0 nederlaag tegen PSV is symbolisch voor het ondergaande schip. Terwijl spelers in tranen van het veld lopen en moeten strijden tegen een plaats in de degradatiezone, vechten de bestuurders om het voortbestaan van de club. Oud-preses Jorien van den Herik oppert publiekelijk de club failliet te laten gaan en op de licentie van stadsgenoot Excelsior een doorstart te laten maken.

Dat gebeurt niet, want op 28 oktober lijkt de club gered. Rijke supporters, verenigt in de Vrienden van Feyenoord en onder leiding van spanbandenkoning Pim Blokland, kondigen aan voor tientallen miljoenen euro’s in de club te willen steken. Dat is vooral een retorisch trucje dat het bij het publiek goed doet, want in werkelijkheid gaat er weinig nieuw geld in de club. Het zijn vrijwel allemaal investeerders die de jaren ervoor bij elke nieuwe pool hun portemonnee trokken en bij een faillissement miljoenen verliezen. De schuld die Feyenoord bij hen heeft wordt omgezet in eigen vermogen. Als dank krijgen de Vrienden aandelen in bezit, maximaal 49,9 procent wanneer ze meer dan dertig miljoen aan langlopende leningen omzetten in eigen vermogen van de club, of nieuw kapitaal in de club storten.

Het zorgt voor ademruimte en rust bij Feyenoord, dat sindsdien langzaam uit het dal is geklommen. Over het seizoen 2011/2012 wordt, mede door de verrassend goede sportieve prestaties van Ronald Koeman’s team, een winst van 6,5 miljoen euro geboekt. In september 2015 kondigt de club zelfs aan over het seizoen ervoor, mede door de Europese overwintering en de verkoop van belangrijke spelers, een recordwinst van 13 miljoen euro geboekt te hebben en een recordomzet van 61 miljoen euro. De winst over de afgelopen jaargang 2015/2016 zal vermoedelijk lager uitvallen door het ontbreken van Europees voetbal, maar duidelijk is wel dat er winst geboekt zal worden. Bovendien is de club vrijwel schuldenvrij. Feyenoord is financieel gezond.

Of? In principe bezit de club een positief eigen vermogen en heeft het langlopende schulden afgebouwd. Daartegenover staat wel dat de Vrienden veel macht hebben verkregen binnen de club. Behalve twee van de vijf commissariszetels en belevingsrechten (per opgehaald miljoenen krijgt de VVF vier business seats ter waarde van zo’n zes ton per seizoen) ontvangen ze sinds Feyenoord een positief eigen vermogen van boven de drie miljoen euro heeft jaarlijks vier procent dividend, vorig jaar zo’n 1,4 miljoen euro. Een deel van de VVF weigerde dat geld, een ander deel lijkt wel voor uitbetaling gekozen te hebben. Daarbovenop komt nog een prestatiedividend van twee procent als de club kampioen wordt of Europees voetbal haalt.

Sinds het eigen vermogen van de club boven de drie miljoen euro ligt heeft Feyenoord de mogelijkheid om aandelen van de VVF terug te kopen. Dat is nog niet gebeurd, omdat ervoor is gekozen in eerste instantie miljoenen te investeren in een nieuw trainingscomplex en een nieuwe accommodatie voor de jeugd- en amateurafdeling – allebei hard nodig. Om structureel financieel gezond én baas over eigen boekhouding te worden is het echter zaak de aandelen terug te kopen. Dat kan nog jaren, zo niet decennia duren, want het is niet aannemelijk dat de club op korte termijn in één keer zo’n dertig miljoen euro kan uitgeven. Tot die tijd is de club weliswaar financieel gezond, maar niet onafhankelijk.

Tot die tijd, bovendien, is voorzichtigheid geboden. Het is positief dat de club zich heeft ontdaan van allerlei vage en zeer risicovolle fondsen en constructies. Met de transfer van Jordy Clasie naar Southampton werd de een-na-laatste speler verkocht die in één van de problematische pools was ondergebracht en waarvan dus bijna een vijfde van de transfersom aan investeerders moest worden afgestaan. Miquel Nelom is de enige selectiespeler die nog in een pool zit. De verkoop van zelfopgeleide spelers (vanaf 2006 investeerde de club weer in de opleiding, met succes) heeft de club gered.

De vraag is nu hoe voorzichtig Feyenoord daadwerkelijk is. Sinds de zomer van 2014 gaf Feyenoord ongeveer 25 miljoen euro uit aan spelers, waarvan een groot deel, zoals Renato Tapia (2,5 miljoen euro), Marko Vejinovic en Bilal Basacikoglu (allebei 3,5 miljoen euro), niet overtuigt en vermoedelijk niet met winst doorverkocht zal worden. Bovendien wordt de bron van welmoed, de jeugdopleiding, teveel genegeerd en is het voor jonge talenten moeilijker geworden door te breken in De Kuip.

Inmiddels is de club al meer dan tien jaar bezig uit de financiële dramatiek te komen. Ondanks dat het nu beter gaat leeft de club nog steeds meer de consequenties ervan. Nog steeds is de begroting zo’n twintig miljoen miljoen euro lager dan die van PSV en Ajax, waardoor het onrealistisch is te verwachten dat Feyenoord jaarlijks meespeelt om de titel. Om structureel weer top te worden is meer nodig. Prudent financieel en technisch beleid, maar ook een (ver)nieuw(d) stadion kan de club een structurele financiële impuls geven. Zo groot en zo goed als in 1970 zal het nooit meer worden, maar vaker kampioen worden dan drie keer in veertig jaar is mogelijk. Wellicht dit seizoen zelfs al. Maar de grote vraag blijft: heeft Feyenoord geleerd van het verleden, en kan ze dat succes nu wel omzetten in een duurzame ontwikkeling van de club? Wie weet kan de club dan eindelijk het Nederlandse Manchester United worden.

[/blendlebutton]

About Mark Lievisse Adriaanse

Mark is Feyenoord-volger en co-auteur van het boek 'Feyenoord de grootste'. Volg Mark op Twitter | Meer artikelen van Mark